Feeds:
Posts
Comments

9789025311544.jpg (342×500)

Momenteel volg ik de zomerschool van het CDJA. Elke maandag- en vrijdagavond komt men bij elkaar voor bezinning en studie van zowel traditionele als actuele politieke werken. Naar aanleiding van deze zomerschool schreef het Nederlands Dagblad onlangs een artikel. Boek dat besproken werd die avond was ‘De Opvoeding van de Christenvorst’. Een mooie avond, met een fundamentele discussie.

Erasmus verdeelt geesten

De scholen zijn dicht. Toch gebruiken honderden Nederlanders de vakantieperiode om hun kennis te laten bijspijkeren. Techniek, talen, rekenen, geschiedenis, alles is mogelijk. Het Nederlands Dagblad bezoekt zomerscholen en kijkt wat mensen beweegt om in de zomer door te studeren.

Vandaag aflevering 2: CDA-jongeren Utrecht

door onze redacteur

Aaldert van Soest

Zou Erasmus zich hebben thuisgevoeld bij het CDA of eerder bij een partij als D66? Het antwoord op die vraag is lastig te geven, blijkt als een tiental CDA-jongeren een werk van de humanist uit Rotterdam bespreekt. Wat wel duidelijk is, is dat Erasmus’ visie op regeren onder de jongeren verschillend wordt ontvangen. Sommigen zijn aangenaam verrast (Ruben: ,,Ik wist niet dat Erasmus het volgen van Christus zo centraal stelde’’). Anderen vinden hem ,,naïef’’ in zijn optimistische mensbeeld en strikte afwijzing van oorlog (Wouter: ,,Hij zou zelf een rampzalig slechte vorst zijn’’).

Voor het tweede jaar achtereen organiseert de CDJA-afdeling in Utrecht een zomerschool. Twee keer in de week komt een groep jongeren bij elkaar om de bronnen van de christendemocratie te bestuderen. ’s Maandags worden hedendaagse auteurs gelezen, zoals Anton Zijderveld, Andreas Kinneging, Frank Ankersmit. Op de vrijdagen staan de echte klassiekers op het programma: Augustinus, Luther, Calvijn, Thomas van Aquino, Groen van Prinsterer en pauselijke encyclieken.

Vanavond staat dus een werk van Erasmus centraal. Zeven jongens en drie meisjes (met name twintigers) verzamelen zich in het parochiehuis van de Sint-Catharinakathedraal in Utrecht. Ze hebben De opvoeding van de christenvorst van Erasmus gelezen. Matthijs houdt een inleiding, die overigens geruisloos overgaat in discussie. Wat opvalt is dat die op echte ideologische grondlijnen uitkomt. Welk mensbeeld zit achter een politieke filosofie? Is Erasmus niet te optimistisch in zijn veronderstelling dat door vorming en onderwijs het kwade vermeden kan worden? Christelijke concepten en begrippen, zoals ‘zonde’ en ‘genade’ komen met regelmaat voorbij. ,,Er is niemand die goed doet’’, citeert een van de deelnemers op een gegeven moment een Bijbeltekst. ,,Zelfs niet een’’, wordt vanaf de andere kant van de tafel aangevuld. Erasmus verdeelt de geesten. Zijn ideaal van een morele vorst, een navolger van Christus, die ook het volk als het ware zal verheffen, spreekt sommigen aan. Anderen vinden hem te optimistisch en verwijzen naar het beeld van de overheid dat onder meer door de reformatoren is geschetst. Zelfs de Nederlandse Geloofsbelijdenis komt op tafel, artikel 36: God heeft vanwege ,,de verdorvenheid des mensen’’ overheden verordend om het kwade in te tomen.

Volgens Ardin Mourik, voorzitter van de CDJA Utrecht, tekent die tweedeling zich steeds af bij de bespreking van de klassiekers. ,,En je kunt eigenlijk zeggen dat het onderscheid precies loopt langs de lijn van katholieken en protestanten in de partij’’, analyseert hij. ,,Katholieken gaan meer uit van de vrije wil en dat met goede werken wordt voortgebouwd op de genade. Protestanten benadrukken meer die lijn van het bedwingen van het kwaad. Het is eigenlijk de oude bloedgroepenstrijd die oplaait. In de moederpartij is die vaak gesust, maar wat mij betreft is het heel goed dat we hier die discussie met elkaar voeren.’’

Volgens Erasmus moest een vorst zich laten omringen en adviseren door ‘wijze mensen’, filosofen, geschoold in de klassieken. Dat levert een gedachte op die de jongeren wel allemaal delen. ,,Je mocht willen dat de premier vandaag de dag zulke adviseurs om zich heen had. Die spindoctors van tegenwoordig geven enkel strategische adviezen om een bewindsman in het zadel te houden.’’

http://fxylib.znufe.edu.cn/book/xzjd/02-2%20thucydide/Pericles.jpg

‘Hoe kunnen we er voor zorgen dat het volk weer luistert?’ Deze vraag werd mij onlangs gesteld, en wil ik beantwoorden. Eerst wil ik echter de vraag anders verwoorden, namelijk: ‘Hoe kunnen we er voor zorgen dat het volk weer luistert naar goede en redelijke leiders?’ Hoewel over deze vraag al veel gepraat en geschreven is, wil ik hier op één punt dieper ingaan, namelijk de culturele identiteit van het volk. Uit het volk moeten nu eenmaal leiders voortkomen in een democratie. De vraag hoe gewaarborgd kan worden dat er goede en redelijke leiders is van groot belang in tijden waarin de regering eerder de weg kwijt lijkt te zijn dan ons daarop voorgaat. Een tijd ook waarin behoefte is aan een eigen identiteit, die eerder ontkend dan herkend wordt.

Een eerste voorwaarde voor een volk dat geleid wordt door goede en redelijke leiders is een sterke samenleving. Een samenleving met vertrouwen in haar cultuur, beschaving, en politieke instituties. Kortom: een samenleving met zelfvertrouwen. Momenteel ontbreekt het hier nogal eens aan. Er is een gebrek aan geloof in de westerse beschaving, gebrek aan besef van de Nederlandse cultuur, en gebrek aan vertrouwen in democratische instituties. Dit gemis komt het meest pregnant naar voren wanneer onze samenleving geconfronteerd wordt met andere culturen, momenteel de islamitische. Meer kennis van onze cultuur en haar waarden biedt kansen om tot een beter besef van onze Nederlandse waarden te komen en om deze te koesteren als gezamenlijke identiteit. Vertrouwen kan dan pas zelfvertrouwen worden, wanneer deze gegrond is in eigen kennen en beleven.

Wat hier nodig is, is een politiek dat haar vertrouwde ondersteunende rol weer op zich neemt van ‘staatkundige opvoeding van het volk’. Opvoeding vindt in eerste instantie plaats in het gezin, de kern van de maatschappij. Daarnaast is onderwijs van groot belang: onderwijs waarin de klassiek en christelijke grondslagen van de Nederlandse en westerse beschaving en cultuur onderwezen worden. Al vatten verschillende groepen deze grondslagen nog zo verschillend op, feit blijft dat onze beschaving diepe wortels kent in het christendom en klassieke wereld die daaraan vooraf ging. Daarom moeten onze middelbare scholen en universiteiten weer aandacht geven aan de studie van de grote teksten, of zoals Matthew Arnold’s het verwoorde: ‘the best that has been thought and said.’ Daarin wordt de jeugd geconfronteerd met tijdloze vragen, wordt het bekend gemaakt met ideeën die onze wereld diep beïnvloed hebben, soms ten goede, vaak ook ten kwade. Dergelijk onderwijs zal de klassieke notie van burgerschap, democratie, rechten en vrijheden weer levend maken, en zo tot goed burgerschap leiden in een samenleving die zelfvertrouwen heeft.

In zo’n staatkundige opvoeding is ruimte voor veelbelovende burgers om zich te oefenen en te bekwamen in staatsmanschap. Dat dit een moeilijke weg is moge duidelijk zijn. Leiding geven aan een sterke samenleving vereist vakmanschap, kunde, en bovenal wijsheid. Het zal alleen weggelegd zijn voor hen die over de beste kwaliteiten beschikken. Immers, een samenleving waarin men democratie en burgerschap op waarde schat zal het bestuur niet zomaar uit handen geven aan baantjesjagers, radicalen, of demagogen.

Een sterke samenleving zal ook een sterker signaal van Leitkultur af kunnen geven richting andere culturen. Zij die deel uit willen maken van onze samenleving hebben zich ten minimale aan deze Leitkultur aan te passen.

Nog veel meer kan gezegd worden over dit onderwerp. Veel is er nodig voor goede en redelijke leiders om te kunnen ontwikkelen. Denk aan diepere overdenking van de rol van de overheid en het vraagstuk van immigratie en integratie. Ik pretendeer niet op al deze onderwerpen evenveel verstand te hebben, maar een sterke samenleving zie ik wel als de onmisbare basis voor verdere overdenkingen. Een democratie stopt immers niet bij universeel kiesrecht, zij vereist ook universeel burgerschap met alle rechten en plichten die daarmee gepaard gaan. Dit vereist een opvoeding in cultuur en richting cultuur. De allereerste taak van onderwijs is immers iemand beschaving bijbrengen, het cultiveren van de rede. Zo bedekken opvoeding en onderwijs de ‘gebreken van onze naakte, rillende natuur’ en geven deze de waardigheid van cultuur.

Een debat over Islam kun je tegenwoordig makkelijk vanuit je luie stoel thuis voeren. Iedereen heeft wel de krant gelezen of televisie gekeken, en heeft of moet er daarom een mening over hebben. Toch vulde zich gisteren in Rotterdam een bomvolle zaal om de aftrap van de Islamtour van de ChristenUnie bij te wonen. Aanwezigen waren Gert-Jan Segers (dhristenUnie ); Eimert van Middelkoop (onze minister van Defensie); Cynthia Ortega (Tweede Kamerlid voor de CU); Marten de Vries (een vriendelijk leven predikant in Rotterdam); Fatima Elatik (PvdA-er en voorzitter stadsdeel Amsterdam-Zeeburg); Remco Oosterhoff (CU raadslid Rotterdam); Tural Koç (van de Islamitische Universiteit in Rotterdam); en natuurlijk conservatief publicist Bart-Jan Spruyt.

Bijna lee k het in het begin erop alsof alle aanwezigen weer naar huis konden gaan. Gert-Jan Segers begon de avond met het doel als ‘vredestichter’ te fungeren. Eimert van Middelkoop vertelde ons dat het de goede kant op ging allemaal. Hij zag Nederland wel veranderen hoor, en hij vond het niet zo leuk dat er een moskee met lallende gebedsoproepers in zijn dorp kwam. Maar, zo vertelde hij ons, je moet je er even over heen zetten en even de sprong maken om te geloven dat integratie goed gaat. Bovendien, zo vond onze minister, de “avond van Fitna was een “fantastische avond”! Allemaal migranten-Nederlanders vertelden in onversneden Nederlands dat Fitna niet klopte, en vertelde tegen Wilders: “dat Nederland van jouw bestaat niet meer, Wilders!” Dus, we zijn allemaal nu een soort migranten in eigen land geworden, maar dat is juist goed want migranten zijn dynamische figuren die zich weten aan te passen. Stimuleren dus, die diversiteit! Fijn! Als klapper op de vuurpijl vond van Middelkoop ook nog dat we “misschien [maar] moesten beginnen met het ontkennen van een probleem”. We hebben er niets aan om aan het Ottomaanse Rijk te denken en ondergevoelens te stimuleren. Dat zijn alleen maar angsten, en daar schieten we niets mee op. Wat!? Zijn de blanke Nederlanders nu weer de schuld? Zij zijn vol angsten gestopt op de basisschool en de zondagsschool omdat daar over die verschrikkelijke Turken vertelt wordt voor Wenen?! Die aanslagen in New York, Londen, Madrid, Amsterdam etc. hebben daar totaal niet aan bijgedragen?! Neen, op de weg van van Middelkoop moeten we dat opzijschuiven als ‘onderbuikgevoelens’ en ligt de oplossing in ontkennen.

Ontzetten fijn allemaal voor ons, want dan hoeven we immers geen discussie meer te voeren! Gelukkig bracht rasconservatief en publicist Bart-Jan Spruyt ons weer in de realiteit: “Het lijkt wel alsof we in Woerden zitten, in plaats van Rotterdam, met een vredestichter en geen problemen.” Maar er is wel een probleem! Er is een slecht ontwikkeld besef van culturele identiteit. Ons koloniale verleden heeft ons met een schuldbesef over onze cultuur, die we toch vooral niet aan anderen mochten ‘opdringen’. Dus laten we mensen maar integreren met ‘behoud van eigen cultuur’. Nu dan, dat kon volgens Spruyt niet! Kijk maar naar de problemen die we hebben: (1) immigranten uit andere cultuur zitten thuis met een uitkering; (2) hoge werkloosheid en criminaliteit onder tweede en derde generatie immigranten; (3) toenemende uitbreiding van het salafisme, een terugkering naar de zuiver Islam. En dit was het grootste probleem volgens Spruyt: deze mensen vormen een Islam waar je niet meer mee in debat kunt gaan. Dat is allemaal verschrikkelijk zondig natuurlijk, en integreren in Nederland is ook niet meer nodig, zo’n onzuiver, zondig land. En deze mensen gebruiken onze vrijheden om een eigen religieuze domein in te richten! “Be in it (ons land), to win it!” zoals ook onlangs op een salafisme congres verteld werd. Maar ach, daar had onze dominee Marten de Vries het nu juist zo gezellig gehad (zie DDS voor verslag hierover).

Afijn, het beeld dat Spruyt schepte was niet leuk allemaal, en Fatima Elatik keek dan weer wat beteuterd over haar multiculturele society. De impasse overstijgen lukt niet als vredestichter of als ontkenner.

De leukste clash was tussen Spruyt en Koç, toen de laatste vertelde dat ‘onwetendheid’ over de Islam het grote probleem zou zijn. Immer, stond niet in de Koran dat “wie iemand heeft vermoord, heeft als het ware de hele mensheid vermoord”? Hierop werd furieus vanuit de zaal gereageerd: dat was helemaal niet waar, dat was maar een fijne multiculturele interpretatie. Spruyt vroeg zich vervolgens af of de heer Koç wel theologie had gestudeerd. Koç reageerde boos door te zeggen dat hij ‘nog’ niet klaar was, en dat een debat volgens hem dus vooral een monoloog was.

Misschien de verstandigste bijdrage kwam vanuit de zaal, toen mede-blogger Wilco Boenders zich niet schaamde om te zeggen dat de Christelijke waarden in Nederland superieur moesten zijn boven die van de Islam. Maar ja, kom daar maar eens mee aan bij mensen als Elatik die het hele probleem in het ‘classificeren’ van moslim-jongeren als moslim-jongeren is. Ze gaan zich nu eenmaal zo gedragen, omdat wij zeggen dat ze zo zijn. We duwen ze in een hoek! Weer heeft de Nederlander het hier gedaan, en zijn alle Mohammed B´s slachtoffer van ons geduw.

Nergens werd er verder gegaan op Spruyt´s wijze woorden over een cultureel isolement waar jongeren zich in bevinden, de zwakke identiteit en de onwetendheid over de klassiek-Christelijke waarden van onze cultuur. Ik ben benieuwd of Kinneging vanavond verder kan komen met de vriendelijk linkse vrienden van de ChristenUnie.

Enige tijd geleden bracht ik, samen met enkele andere jongeren van de Jonge Atlantici, een bezoek aan het hoofdkwartier van de NAVO in Brussel. Hoewel ik zelf tot nu toe altijd wantrouwend tegenover al die internationale-, supranationale-, globale- en Verenigde Naties-achtige organisaties heb gestaan, moet ik zeggen dat dit bezoek mij wel enig respect voor de NAVO heeft bijgebracht.

Ten eerste heb ik respect voor de wijze waarop de NAVO zichzelf organiseert. Voor meer dan 50 jaar, sinds hun verbanning uit Parijs toen Frankrijk uit de NAVO stapte, huizen ze al in een voormalig ziekenhuiscomplex aan de rand Brussel. In tegenstelling tot de geldverslindende kolossale bouwwerken van de Europese Unie en de tergend langzame bureaucratie van de Verenigde Naties, heerst er bij de NAVO meer een sfeer van simpelheid, degelijkheid, en doelgerichtheid. Wellicht komt dit doordat er minder landen in zitten dan bij de VN; wellicht doordat de NAVO lange tijd een helder doel had, in de worden van Lord Ismay, de eerste secretaris-generaal van de NAVO:  „We moeten de Amerikanen erin, de Russen eruit en de Duitsers eronder houden.” Hoe het ook zij, de functionele en praktische houding van de NAVO steekt scherp af tegen de traagheid van de EU en idealistische politiek van de VN. Geen verhuizingen van Brussel naar Straatsburg; geen 35 tolken die alles moeten vertalen voordat iedereen het begrijpt; een simpel gebouw waar de focus is op het werk dat gedaan moet worden; kortom: een soldatencultuur van ‘je ding doen’.

Ten tweede heb ik respect voor de kracht van het bondgenootschap. Hoewel wij de afgelopen weken hebben mogen aanhoren hoe de Europese Unie en de Europese samenwerking een nieuwe oorlog heeft voorkomen en zoveel voorspoed heeft gebracht, hebben we deze ook mede aan de NAVO te danken. Europa’s houding van ‘als de Russen binnenvallen helpen de Amerikanen ons wel’ bespaarde ons vele investeringen in defensie, en gaf ons daarmee de financiële ruimte om economisch te ontwikkelen.

Ten derde heb ik respect voor de NAVO vandaag de dag, en de rol die zij op zich heeft genomen na de Koude Oorlog. Nieuwe taken en uitdagingen, zoals crisis management, zijn aangegaan en het territorium van actie is verbreed, eerst naar de achtertuin van Europa in de Balkan, later naar Afghanistan. Waar de twijfelachtige operatie van de VN in de Balkan tot honderdduizenden doden leidde tussen 1991 en 1995, daar durfde de NAVO partij te kiezen. Natuurlijk was ook de oplossing van de NAVO verre van perfect, maar het doel, meer veiligheid, werd wel bereikt en beschermd.

Dit neemt niet weg dat er ook problemen zijn. Er is geen duidelijke, ideologische vijand meer. De grote interne eenheid in de NAVO tijdens de Koude Oorlog is ook verdwenen, nu Oost-Europese landen heel anders over veiligheid denken dan Nederland, de Verenigde Staten, of Canada. Kortom: de ‘existentiële vraag’ hoefde in de jaren van de Koude Oorlog nooit gesteld te worden.

Deze vraag wordt deze dag vaak gesteld. Nederlanders zien vaak het belang niet in van een trans-Atlantisch bondgenootschap. Waarom zouden we immers? We zijn gewend aan vrede en meer gericht op het vervullen van onze individuele genoegens. Veiligheid, in tegenstelling tot de Amerikanen, is voor Nederlanders geen internationaal probleem. Vrede onder de paraplu van de VS is ‘normaal’. Belang van de NAVO? Dat hebben we misschien slechts ingezien toen de Russen een bedreiging vormden. Tegenwoordig hebben we meer aan een strategische partnerschap met Rusland. In het oosten van Europa ligt dit wel een tikkeltje anders. Daar zijn ze nog steeds op hun hoede voor de Russische beer.

Moeten we dan meer, zoals een Groenlinkse jongere het tijdens het bezoek formuleerde, de NAVO opheffen en alles Europees regelen? Een Europees leger? De NAVO is immers niet ‘transparant’ genoeg, en teveel een ‘Westers project’? Europa als containeroplossing.

De reactie van de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de NAVO was spreekwoordelijk voor de organisatie als geheel. “Overdreven idealistisch”. Veiligheid is en blijft een aangelegenheid waar de nationale overheden zeggenschap over willen hebben. En bovendien, waar in de Europese geschiedenis zien we dat de Europese landen samenwerken op het gebied van defensie? Zelfs toen Napoleon over Europa denderde was er hevig wantrouwen tussen de verschillend bondgenootschappen, met name tussen het Oostenrijkse en Russische Keizerrijk, om van de Duitse Pruissen nog maar niet te spreken. Landen willen nu eenmaal controle en beslissingsbevoegdheid. Multi-nationaliseren is tegen de natuur van de natiestaat, de belangrijkste plaats voor beleid. In Europa is frappant genoeg alleen België voor meer opgaan in supranationaal Europa, wellicht als oplossing voor eigen mislukte nationale politiek.

Volgens Wilders zijn veel moslims verantwoordelijk voor de misdaad in Europa

Dit weekend bezocht ons meest beruchte lid van de Tweede Kamer Denemarken. Geert Wilders uitte daar zijn ongenoegen over de tientallen miljoenen moslims in Europa, die wellicht ‘uitgezet’ moesten worden. Los van het feit dat Wilders waarschijnlijk zelf ook niet weet hoe deze operatie uitgevoerd zou moeten worden, kunnen we stellen dat moslims, puur omdat ze het Islamitische geloof aanhangen, als potentieel gevaar worden beschouwt. Mijns inziens is dit de verkeerde benadering voor een serieus probleem dat ons allen aangaat. Geert Wilders ziet het verschil niet tussen ‘kritiek uitoefenen’ en ‘pure confrontatie’.

Laten we alleen eens kijken naar hoe Wilders het probleem benadert. Volgens Wilders is de Islam geen godsdienst maar een totalitaire ideologie. Elke moslim is aanhanger van de Islam en dus van deze totalitaire ideologie en daarmee een potentieel probleem, die als het nodig is ‘verwijderd’ moet worden. Gebeurt dit niet, dan betekent dit het einde van de Westerse Beschaving. Een fout die Wilders hier maakt is de werkelijkheid simplificeren. Dit kan uit (a) pure onwetendheid komen, hetgeen ik betwijfel; (b) moedwillig negeren, wat in zekere zin roekeloos is; of (c) onverschilligheid, wat geen goede eigenschap is voor een politicus. Wat het ook is, het definiëren van ‘moslims’ of de ‘Islam’ is uiterst complex. Het is al vaak gezegd: de Islam is zeer heterogeen, en zo zijn haar aanhangers dan ook georganiseerd. Toch kan dit natuurlijk geen reden zijn om maar nooit over de Islam te mogen spreken, of nooit iets over moslims te mogen zeggen. Uiteindelijk is versimpeling nodig om met de werkelijkheid om te kunnen gaan. Wanneer we kijken naar de Islam kunnen we het volgende onderscheid maken.

(1)    Islam als identiteit verwijst naar iemand wiens vader een moslim is en wie het plakkaat moslim als naam accepteert maar zich- of haarzelf niet specifiek gebonden acht aan de geloven en geloofspraktijken van een moslim. In westerse samenleving zijn ook velen in naam Christelijk of Joods, zonder zich hier in het bijzonder naar te gedragen.

(2)    Islam als geloof: ‘Islam’ is Arabisch voor onderwerping of overgave aan Allah, zoals geopenbaard door de boodschap en het leven van de Profeet Mohammed. Veel diepgelovige moslims betwijfelen de echtheid van de ‘naam-moslim’ of de seculiere moslim.

(3)    Islam als politieke ideologie: Hier horen we Wilders vaak over. Het verwijst naar het geloof en de geloofspraktijken van die moslims die een Islamitische staat willen stichten om zo gehoorzaamheid af te dwingen aan de Islamitische wet of de shari’a, welke is afgeleid uit de Koran en het leven van de profeet Mohammed. Hoe dit bereikt moet worden verschilt per politieke situatie. In Jordanië en Indonesië hebben bepaalde parlementariërs een dergelijke agenda. In Algerije, in tegenstelling, zijn degenen die een Islamitische staat willen stichten in gewapend conflict met de regering. In Sudan, de National Islamic Front greep en houdt de macht door een militair bewind. In Nigeria zijn er nu elf staten met een shari’a. Sommige moslims beweren dat deze staten een verborgen agenda hebben om heel Nigerai in een Islamitische staat te veranderen. In sommige gevallen zijn de aanhangers van de ‘politieke Islam’ actief binnen democratische instituties, en gebruiken zij democratie en haar inherente vrijheden om deze democratie omver te werpen en te vervangen door ‘gehoorzaamheid aan God’ zoals uitgedrukt in de shari’a.

Tot zover een kort onderscheid binnen de Islam. Zoals we zien is Wilders bijzonder slecht in het maken van een dergelijk onderscheid. Hij ziet elke moslim als potentiële aanhanger van een politieke ideologie. Er wordt geen onderscheid gemaakt, met als gevolg een soort van blind ‘Islamophobia’. De bezorgdheid en ongerustheid die wij hebben voor terrorisme is een rechtvaardige vrees, maar mag niet omslaan in irrationele angst voor alle moslims. Irrationele angst maakt namelijk geen onderscheid, waardoor vijandigheid tegenover Islamitisch terrorisme snel kan overslaan in vijandigheid tegenover alle moslims.

Nogmaals, dit betekent niet dat wij niets mogen zeggen over moslims. De problemen zijn er en verlangen naar een oplossing, hoe imperfect deze uiteindelijk ook moge zijn. Echter, we zijn beter af wanneer niet irrationele angst, maar oprechte bezorgdheid en verontrustheid hierin de leiding heeft.

Afgelopen week zond de VPRO de documentaire De Slag om Brussel uit. Onderwerp van deze docu was de vraag: komen al die ‘regels’ – waarover we zo vaak horen klagen – nu echt uit Brussel, of heeft Nederland hier een handje in? Wordt Brussel als zondebok gebruikt? Je raadt het misschien al, Nederland wil graag het braafste jongetje van de klas zijn. Al sinds het begin van de Europese samenwerking worden in Nederland de regels streng toegepast; het is een soort erestrijd om nooit gepakt te worden door de keuring. Echter, dit heeft ook nadelige gevolgen, zeker wanneer de regels steeds maar toenemen, steeds strenger worden, en de kleine ambachtsman of -vrouw de keel afknijpen. Het gekke is, inspecties moeten ook nog een, door de kaasboer bijvoorbeeld, zelf betaalt worden. Hoe anders dit is in de rest van Europa laat deze documentaire zien.

Een aanrader dus, om niet alleen Eurosceptisch te zijn, maar vooral ook Neder-Euro-sceptisch!

http://www.rkdocumenten.nl/UserFiles/Image/Augustinus.jpg

Op Rutger’s blog ontstond deze week een heftige discussie over de rol van wetgeving in het beperken van de vrijheid. Het behouden van tradities, het gevaarlijke van overheidsingrijpen, en alle conservatieve gevoelens die hier mee gepaard gaan, kwamen naar voren. Naar mijn idee is het ook een taaie materie. We leven niet meer in een tijd waarin vaste manieren van doen ten grondslag liggen aan de inrichting van ons leven, laat staan aan ons rechtsbewustzijn. Waar in de Middeleeuwen het recht grotendeels gebaseerd was op ‘gewoonte’ als dé normatieve instantie, kunnen wij dat nu niet meer erkennen of zelfs maar herkennen. Het voorstel van Lodewijk Asscher om een verbod op neef-nicht huwelijken in wetgeving op te nemen is hier een voorbeeld van. Aan de basis ligt het feit dat de samenleving niet meer accepteerd wat door voorgaande generaties wordt aangedragen.

In zekere zin kan kritiek op voorgaande tradities niet verkeerd zijn. Alle kritiek op traditie als vloeken in de conservatieve kerk beschouwen sta ik dan ook niet voor. Hoezeer men ook wil vasthouden aan de traditie, kenmerkend voor de mens is dat hij niet telkens hetzelfde patroon herhaalt, maar dat hij veranderingen aanbrengt, verbeteringen voorstelt, opnieuw begint. Dit is ook al uitgedrukt door Augustinus, waar hij zegt: “Beginnen is het belangrijkste vermogen van de mens” - Initium ut esset homo creatus est, opdat er een begin zou worden gemaakt, werde de mens geboren. Hannah Arendt heeft zich door deze uitspraak laten inspireren, en zij stelt dan ook dat het in de politiek opzicht identitiek is met de menselijke vrijheid. Dat dit een kritische noot is bij neiging om alle tradities kritiekloos over te nemen siert naar mijn idee het conservatisme alleen maar.

illustratie

Het is al weer een jaar geleden, toen Jos de Beus – politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam – de Nederlandse democratie een ’steekvlam-democratie’ noemde. Er hoefde maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Dit ‘iets’ heeft tegenwoordig meestal met religie te maken, of met andere verwante verworvenheden zoals de vrijheid van meningsuiting. Een jaar later leven we nog steeds in een tijd van ‘chaos’ en hoppen we van incident naar incident met de media mee. Een radicale leger-imam vult hele pagina’s in de krant en uren talk-shows op de televisie. De aankondiging van een tweede Fitna door Wilders werd er haast door ondergesneeuwd. Het is daarom een relevante vraag wat er in hemelsnaam aan de hand is in Nederland. Aan de ene kant schreeuwen libertijnen dat religie alle schuld heeft, en dat wanneer we nu maar een volledig neutrale staat zullen hebben met religie verdrongen tot het prive-leven van de burgers, alles wel op zijn pootjes terecht komt. Aan de andere kant staan dan weer de religieuze fanatici die het liefst het publieke domein zoveel mogelijk naar religieuze maatstaven willen inrichten. Althans, dat is het idee dat leeft bij veel mensen. Toen de met steevast ‘orthodox’ als voornaam aangeduide ChristenUnie het tot regeringsdeelname schopte waren de columns en uitspraken van politici niet te tellen waarin werd gewaarschuwd dat abortus, euthanasie, het homo-huwelijk en andere ‘liberale en linkse kroonjuwelen’ streng bewaakt zouden blijven. Die orthodox-fundamentele christenen mochten ons niet de les gaan lezen. Argwanend en knarsentandend werd er van de zijlijn toegekeken.

Enige ironie zit er wel in dit beeld. Want waren de linkse en liberale meerderheid in Nederland er niet van overtuigd dat religie vanzelf wel zou verdwijnen? Was het niet een oud overblijfsel dat door de moderne tijd wel weggeschaafd zou worden, ruimte scheppend voor het veel meer pragmatische, progressieve, en pretentieuzer idee van een seculiere en verdraagzame samenleving? Als dit beeld al veel vertrouwen had, dan is dat nu in ieder geval verdwenen. We zien dit in de wanhopige pogingen waarin dezelfde linkse en liberale elite in Den Haag haar best doet om toch die verdraaide ‘kloof’ met de burger te dichten. Het is het balanceren tussen kosmopolitisme en populisme.

Terugkomend op onze vraag wat er nu in hemelsnaam aan de hand is in Nederland, kunnen we concluderen dat vandaag de dag religie niet meer zo netjes georganiseerd en ingekaderd is als we wel gewend zijn in onze geschiedenis. De tijd waarin onze samenleving moderniseerde werd getekend door de verzuiling. Al wilde men de protestantse geloofsgemeenschap aanspreken dan was het duidelijk waar men moest kijken, wie men moest aanspreken. En hoewel dit na de Tweede Wereldoorlog uit balans raakte, vooral in de jaren zestig, konden orthodoxe gelovigen decennialang nog gewoon functioneren, zeker binnen hun eigen smalle kring.

In de jaren negentig raakte dit echter uit onbalans, er was – in de woorden van James Kennedy – een zekere destabilisering van religie en politiek. Grote groepen immigranten met een ander geloof kwamen aan in Nederland. Dit ging gepaard met het hierboven aangehaalde wantrouwen van vooral linkse en liberale seculieren – er zou toch niet een eind komen aan de traditionele westerse vrijheden! Deze onstabiliteit in de politiek zet zich nog steeds voort vandaag de dag. Of het nu gaat om weigerambtenaren bij de gemeente die geen homohuwelijken willen sluiten, of om de SGP die vrouwonvriendelijk is en dus geen subsidie mag krijgen van de staag, of de radicale columnist die geen geestelijk verzorger mag worden van onze militairen in Uruzgan. Religieuze minderheden moeten hun plaats kennen, en zich aanpassen aan de seculiere meerderheid; dat lijkt de teneur in Nederland.

Het jammere aan deze discussie is, dat deze zo hard wordt gevoerd dat een constructieve, genuanceerde bijdrage niet meer gehoord wordt. Als er een ‘hot issue’ in het nieuws is, waar de Islam, de Katholieke Kerk of welke andere religie dan ook, bij betrokken is, dan worden de meest radicale vertegenwoordigers van beide kanten uitgenodigd om op te komen draven. Het levert spectaculaire uitspraken op bij Pauw & Witteman, hogere kijkcijfers voor Nova, maar helaas geen vooruitgang in de discussie laat staan dat het bruikbaar is voor de maatschappij. En de Nederlandse televisiekijker eet chips, drinkt cola, en leeft door met een beeld dat zwart en wit de enige kleuren zijn in een discussie.

Wat mij echter hoopvol stemt, is dat in de kleine kring van gelijkdenkenden waarin ik mij soms bevindt wel het idee heb dat er een plaats is voor religie in de publieke sfeer. Wat echter van groot belang is in de discussie is dat christenen en seculieren, gelovigen en niet-gelovigen, religieuze en politieke opvattingen blijven onderscheiden. Religie en politiek moeten niet op één hoop gegooid worden. In de geest van Abraham Kuyper kunnen we streven naar een religieuze sfeer die apart staat van de politieke sfeer. Niet zoals de liberale seculieren omdat ze niets met elkaar te maken hebben of elkaar niet mogen aanspreken, maar wel omdat het om twee verschillende zaken gaat. Het is niet aan de politicus om toezicht te houden op religies, en zeker niet op wat een ‘goede’ of ‘gematigde’ versie van een religie inhoud.

Dit alles kan pas bereikt worden als wij, als burgers onderling, een zekere discipline kunnen opbrengen in het debat. En inderdaad een zekere ‘onverschilligheid’. Met onverschilligheid bedoel ik niet ongeïnteresseerdheid of matheid, maar de deugd om die zaken te onderscheiden waarover we niet in hoeven te zitten. In andere woorden: een zekere beschaafdheid en wellevendheid in het debat. Zo kunnen wij de fundamentele verschillen tussen elkaar onderling erkennen terwijl we tegelijkertijd blijven zoeken naar het gedeelde algemeen belang.

We kennen het onderhand allemaal wel in Nederland, de SIRE reclames die ons bewust moeten maken van ons ‘onverantwoorde gedrag’. De stichting denkt dat veel gedrag onbewust is, en als ze het eenmaal aanstippen op de tv mensen hun gedrag wel bij wel zullen staan. Dat dit niet het geval is, wordt door Dalrymple uitgelegd op de opiniepagina van het NRC. Mensen, over het algemeen jongere mensen, gedragen zich niet ‘onbewust onaangenaam’ maar juist ‘bewust’. Dit artikel laat ons weer zien hoe verschillende mensbeelden kunnen leiden tot totaal verschillende analyses van wat er zich in de maatschappij afspeelt. Het ‘positieve’ mensbeeld neemt aan dat de mens van nature goed is, en hier alleen maar even van bewust gemaakt moet worden. De afgelopen decennia is gebleken dat dit niet echt werkt. Frappant dat op dezelfde dag in het NRC uitgelegd wordt dat Marokkaanse jongeren bewust op de grond spugen om politie-agenten te vernederen. De politie leert op een multiculturele cursus hoe hierop te reageren. De politie moet ten slotte ook als ‘hun politie’ gezien worden. Gewoon even bewust maken met een SIRE-campagne?

Deze week heb ik deelgenomen aan de Hhttp://www.nesomexico.com/home/news-events/news-archive/2008/december/la-ciudad-de-la-haya-sera-sede-del-harvard-world-model-united-nations-conference/imagearvard World Model United Nations (afgekort WorldMUN). 2500 studenten van over de hele wereld daalden neer in Den Haag, om in het World Forum de echte Verenigde Naties na te simuleren. Nu moet ik zeggen dat ik niet helemaal weg ben van de VN, maar de onderhandelingsrondes erg interessant vind. Ikzelf zat in de Camp David Accords Committee. Ter herinnering, Camp David is het buitenverblijf van de Amerikaanse president, en een belangrijke plek waar onderhandelingen tussen Israel en haar Arabische buren worden gehouden. Wij gingen deze week de onderhandelingen tussen Israel en Egypte nog eens overdoen, zoals ze in 1978 door Jimmy Carter zijn gehouden.

Terwijl aan de overkant van de weg de busjes van vrijwel alle tv-stations in Nederland voor het Catshuis stonden te wachten op de witte rook van een akkoord over de aanpak van de crisis, begonnen wij aan een van de meest ingewikkelde conflicten die deze wereld kent. Het interessante is dat je merkt dat zich eenzelfde dynamiek ontwikkeld als in dertig jaar geleden, met botsende belangen, oplopende spanningen, en verschillende woede uitbarstingen van zowel de Israelische als Egyptische delegatie. Voor mij, als nationale veiligheidsadviseur van de VS – onder Jimmy Carter was dit Zbigniew Brzezinski – de taak om beide partijen tot overeenstemming te brengen. Samen met drie andere studenten die de ’secretary of state’ en de Amerikaanse ambassadeurs van Egypte en Israel vertegenwoordigden is mij dit redelijk goed gelukt.

Wat echter tenenkrommend aan een dergelijke week is, is al het utopische geblaat dat je om je heen hoort over de mogelijkheden van de VN. Zoals ik in mijn vorige stuk duidelijk heb gemaakt, bestaat er geen instantie boven de natiestaat die goed in staat is geweest om democratische legitimiteit te creeren. Dat vond ik ook zo mooi aan mijn committee, omdat het de soevereiniteit aan de landen overliet. Beiden moesten tot een akkoord komen, zonder dat er van bovenaf mooi geformuleerde resoluties werden losgelaten waar men in de praktijk geen raad mee weet. Echter, het lijkt wel alsof het merendeel van de studentenpopulatie deze week kritiekloos het adagium van een ‘global community’ slikte. De idee dat er een wereldregering kan zijn die de natiestaat overbodig maakt zit er diep in, en leidde zelfs èèn delegatie tot de uitspraak dat landen geen defensie meer nodig zouden hebben.

Wat we hier zien is duidelijk een utopie dat uitgaat van zeer positief mensbeeld. Een mensbeeld waarin de banaliteit van het kwaad in de mens ontkent wordt, en waarin de aarde als een blauwe punt in het heelal wordt gezien die volledig onder controle van de mens kan komen. Het enige wat hier past is een diepe zucht over dergelijke kortzichtigheid en onnadenkendheid. Een global community bestaat niet, en zal er ook nooit komen. Een dergelijk beeld van de wereld heft alle zekerheid op die er in een mensenleven kunnen bestaan. De zekerheid van een cultuur, een samenleving, en begrenzingen.

Landen zullen op internationaal niveau met elkaar blijven onderhandelingen, simpelweg omdat er nu eenmaal grensoverschrijdende problemen zijn. Echter, dit leidt niet tot de erosie van de nationale democratie. De VN is niet meer dan een structuur waar internationale problemen besproken kunnen worden. Het is jammer dat deze structuur misbruikt wordt voor Wilsoniaans idealisme.

Older Posts »