
Momenteel volg ik de zomerschool van het CDJA. Elke maandag- en vrijdagavond komt men bij elkaar voor bezinning en studie van zowel traditionele als actuele politieke werken. Naar aanleiding van deze zomerschool schreef het Nederlands Dagblad onlangs een artikel. Boek dat besproken werd die avond was ‘De Opvoeding van de Christenvorst’. Een mooie avond, met een fundamentele discussie.
Erasmus verdeelt geesten
De scholen zijn dicht. Toch gebruiken honderden Nederlanders de vakantieperiode om hun kennis te laten bijspijkeren. Techniek, talen, rekenen, geschiedenis, alles is mogelijk. Het Nederlands Dagblad bezoekt zomerscholen en kijkt wat mensen beweegt om in de zomer door te studeren.
Vandaag aflevering 2: CDA-jongeren Utrecht
door onze redacteur
Aaldert van Soest
Zou Erasmus zich hebben thuisgevoeld bij het CDA of eerder bij een partij als D66? Het antwoord op die vraag is lastig te geven, blijkt als een tiental CDA-jongeren een werk van de humanist uit Rotterdam bespreekt. Wat wel duidelijk is, is dat Erasmus’ visie op regeren onder de jongeren verschillend wordt ontvangen. Sommigen zijn aangenaam verrast (Ruben: ,,Ik wist niet dat Erasmus het volgen van Christus zo centraal stelde’’). Anderen vinden hem ,,naïef’’ in zijn optimistische mensbeeld en strikte afwijzing van oorlog (Wouter: ,,Hij zou zelf een rampzalig slechte vorst zijn’’).
Voor het tweede jaar achtereen organiseert de CDJA-afdeling in Utrecht een zomerschool. Twee keer in de week komt een groep jongeren bij elkaar om de bronnen van de christendemocratie te bestuderen. ’s Maandags worden hedendaagse auteurs gelezen, zoals Anton Zijderveld, Andreas Kinneging, Frank Ankersmit. Op de vrijdagen staan de echte klassiekers op het programma: Augustinus, Luther, Calvijn, Thomas van Aquino, Groen van Prinsterer en pauselijke encyclieken.
Vanavond staat dus een werk van Erasmus centraal. Zeven jongens en drie meisjes (met name twintigers) verzamelen zich in het parochiehuis van de Sint-Catharinakathedraal in Utrecht. Ze hebben De opvoeding van de christenvorst van Erasmus gelezen. Matthijs houdt een inleiding, die overigens geruisloos overgaat in discussie. Wat opvalt is dat die op echte ideologische grondlijnen uitkomt. Welk mensbeeld zit achter een politieke filosofie? Is Erasmus niet te optimistisch in zijn veronderstelling dat door vorming en onderwijs het kwade vermeden kan worden? Christelijke concepten en begrippen, zoals ‘zonde’ en ‘genade’ komen met regelmaat voorbij. ,,Er is niemand die goed doet’’, citeert een van de deelnemers op een gegeven moment een Bijbeltekst. ,,Zelfs niet een’’, wordt vanaf de andere kant van de tafel aangevuld. Erasmus verdeelt de geesten. Zijn ideaal van een morele vorst, een navolger van Christus, die ook het volk als het ware zal verheffen, spreekt sommigen aan. Anderen vinden hem te optimistisch en verwijzen naar het beeld van de overheid dat onder meer door de reformatoren is geschetst. Zelfs de Nederlandse Geloofsbelijdenis komt op tafel, artikel 36: God heeft vanwege ,,de verdorvenheid des mensen’’ overheden verordend om het kwade in te tomen.
Volgens Ardin Mourik, voorzitter van de CDJA Utrecht, tekent die tweedeling zich steeds af bij de bespreking van de klassiekers. ,,En je kunt eigenlijk zeggen dat het onderscheid precies loopt langs de lijn van katholieken en protestanten in de partij’’, analyseert hij. ,,Katholieken gaan meer uit van de vrije wil en dat met goede werken wordt voortgebouwd op de genade. Protestanten benadrukken meer die lijn van het bedwingen van het kwaad. Het is eigenlijk de oude bloedgroepenstrijd die oplaait. In de moederpartij is die vaak gesust, maar wat mij betreft is het heel goed dat we hier die discussie met elkaar voeren.’’
Volgens Erasmus moest een vorst zich laten omringen en adviseren door ‘wijze mensen’, filosofen, geschoold in de klassieken. Dat levert een gedachte op die de jongeren wel allemaal delen. ,,Je mocht willen dat de premier vandaag de dag zulke adviseurs om zich heen had. Die spindoctors van tegenwoordig geven enkel strategische adviezen om een bewindsman in het zadel te houden.’’







er een jaar geleden, toen Jos de Beus – politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam – de Nederlandse democratie een ’steekvlam-d
emocratie’ noemde. Er hoefde maar iets te gebeuren of de vlam sloeg in de pan. Dit ‘iets’ heeft tegenwoordig meestal met religie te maken, of met andere verwante verworvenheden zoals de vrijheid van meningsuiting. Een jaar later leven we nog steeds in een tijd van ‘chaos’ en hoppen we van incident naar incident met de media mee. Een radicale leger-imam vult hele pagina’s in de krant en uren talk-shows op de televisie. De aankondiging van een tweede Fitna door Wilders werd er haast door ondergesneeuwd. Het is daarom een relevante vraag wat er in hemelsnaam aan de hand is in Nederland. Aan de ene kant schreeuwen libertijnen dat religie alle schuld heeft, en dat wanneer we nu maar een volledig neutrale staat zullen hebben met religie verdrongen tot het prive-leven van de burgers, alles wel op zijn pootjes terecht komt. Aan de andere kant staan dan weer de religieuze fanatici die het liefst het publieke domein zoveel mogelijk naar religieuze maatstaven willen inrichten. Althans, dat is het idee dat leeft bij veel mensen. Toen de met steevast ‘orthodox’ als voornaam aangeduide ChristenUnie het tot regeringsdeelname schopte waren de columns en uitspraken van politici niet te tellen waarin werd gewaarschuwd dat abortus, euthanasie, het homo-huwelijk en andere ‘liberale en linkse kroonjuwelen’ streng bewaakt zouden blijven. Die orthodox-fundamentele christenen mochten ons niet de les gaan lezen. Argwanend en knarsentandend werd er van de zijlijn toegekeken.